sparkweb

link in linkpaginalinksite linkextern

Pagelinks

Blogbuddies

Dit zijn de blogbuddies
van links naar rechts: Jan, Bas, Edwin en Sander

De blogbuddies

Edwin op Hyves

Ja, ook op Hyves. Inclusief blog. Klik op het logo om een bezoekje te brengen.

Ga naar Hyves

...Speedlinks

Allogene Stamceltransplantatie

Inleiding

Er bestaan twee soorten stamceltransplantaties: autoloog en allogeen.

  1. Bij een autologe stamceltransplantatie worden eigen (van tevoren ingevroren) stamcellen teruggegeven.
  2. Bij een allogene stamceltransplantatie worden cellen van een donor gegeven.

Bij een allogene stamceltransplantatie is het doel om de patiënt een heel nieuw immuunsysteem te geven van een gezond persoon. De cellen van dit nieuwe immuunsysteem kunnen de laatste kwaadaardige cellen opruimen.

Er bestaan twee vormen van allogene stamceltransplantatie:

Myeloablatieve SCT

Bij een myeloablatieve transplantatie wordt een hoge dosis chemotherapie gegeven in combinatie met een lage dosis lichaamsbestraling. Hiermee wordt het eigen beenmerg vernietigd. De dag na de bestraling worden de stamcellen van de donor via een infuus gegeven. De opname duurt ongeveer vijf tot zes weken. Omdat dit een intensieve behandeling betreft, wordt dit alleen gedaan bij jongere patiënten (tot 40 jaar).

De letterlijke vertaling van myelo-ablatief is beenmerg wegnemend. Vaak wordt een hoge dosis chemotherapie gecombineerd met totale lichaamsbestraling om de tumor uit te roeien. Het doel van chemotherapie (met of zonder totale lichaamsbestraling) is:

Niet-Myeloablatieve SCT

Bij een niet-myeloablatieve transplantatie wordt een veel lagere dosis chemotherapie gegeven in combinatie met een lage dosis lichaamsbestraling. Het eigen beenmerg wordt niet volledig vernietigd, maar afgezwakt. De dag na de bestraling worden de stamcellen van de donor via een infuus gegeven. De opname duurt ongeveer tien dagen.

Door deze behandeling worden weinig kwaadaardige cellen bij de patiënt gedood en ook wordt het beenmerg niet vernietigd. De afweercellen uit de donor worden geacht de kwaadaardige cellen bij de patiënt aan te pakken en ook het beenmerg. Uiteindelijk zullen zo het beenmerg en de afweer van de patiënt veranderen naar
donororigine, precies zoals bij een myelo-ablatieve transplantatie.
Vaak is het nodig om de eigenlijke stamceltransplantatie aan te vullen met extra afweercellen van de donor. Dat gebeurt enkele weken later en wordt donorlymfocyteninfusie (DLI) genoemd.
Omdat alle afweercellen (T-lymfocyten) in het transplantaat aanwezig blijven, is er een reële kans op het ontstaan van graft-versus-host ziekte, waarover onderstaand meer. Deze vorm van transplanteren is daardoor in de eerste weken veiliger dan ‘klassiek’ (myelo-ablatief) allogeen transplanteren. Immers, er wordt veel minder chemo- en radiotherapie gegeven en dat leidt tot minder problemen.
Maar eventuele graft-versus-host ziekte is even ernstig.
Intensieve controle na de stamceltransplantatie is van belang om te controleren of uw bloed en beenmerg volledig uit donorcellen bestaan. Het kan namelijk gebeuren dat uw eigen celaanmaak weer de overhand neemt en het percentage donorcellen minder wordt.
Het kan dan ook nodig zijn om donorlymfocyteninfusies te geven.

Donor

Het zoeken van een juiste donor is erg belangrijk omdat normaliter een transplantaat van een donor door het afweersysteem vande patiënt wordt afgestoten doordat het transplantaat als lichaamsvreemd wordt herkend. Deze afstoting wordt veroorzaakt doordat de patiënt en de donor van elkaar verschillen voor bepaalde weefselantigenen, die gezamenlijk het “major histocompatibiliteits complex (MHC)” worden genoemd. Een donor moet dus in het ideale geval genetisch identiek zijn met de patiënt voor deze MHC antigenen, zoals het geval kan zijn bij een broer of zus. Een MHC identieke familie donor (MFD) is echter niet altijd aanwezig. In zo’n geval wordt er gezocht naar een bloedbank donor die qua MHC wel volledig overeenkomt met de patiënt, maar die niet tot de familie behoort (matched unrelated donor, MUD), of anders naar familie donoren of bloedbank donoren die mismatch(es) bevatten (mismatched family donor, MMFD of mismatched unrelated donor, MMUD). In het geval dat de donor en de patiënt verschillen van elkaar voor het MHC, worden de T cellen die verantwoordelijk zijn voor de afstoting uit het transplantaat, verwijderd. Dit heeft tot gevolg dat de patiënt na SCT een verminderde immunologische afweer heeft aangezien het meer tijd kost om voldoende nieuwe T en B cellen te genereren. In deze patiënten komen zeer frequent virale infecties voor die normaal gesproken geen problemen zouden veroorzaken, maar in de context van verlaagde afweer zeer ernstige en soms fatale infecties kunnen veroorzaken.

Onder uw familieleden is een geschikte stamceldonor gevonden.
Dit is gebleken uit de op bloedcellen verrichte weefseltypering
(HLA-typering). Het HLA-systeem is een soort bloedgroepensysteem
van lichaamscellen. Er is één chromosomenpaar dat genen bevat die
bepalen welke bloedgroepen (HLA-typen) op de lichaamscellen van
een mens aanwezig zijn. In elke cel bevinden zich 23 paar
chromosomen. Om een transplantatie te kunnen uitvoeren moet het
chromosoompaar waarop het HLA-systeem zit, van donor en patiënt
identiek zijn. Geslacht of A-, B-, O- bloedgroep kunnen daarbij tus-
sen patiënt en donor verschillen. De kans dat bij twee kinderen van
dezelfde ouders een identieke combinatie voorkomt is één op vier.
Omdat van elk chromosoompaar één chromosoom van moeder en
één van vader afkomstig is, is per definitie altijd één chromosoom
identiek, maar het andere verschillend met dat van een ouder.
Hierdoor is een ouder bijna nooit een geschikte donor.

In een latere fase wordt de typering van u en die van uw broer of zus
in een uitgebreidere vorm herhaald. Er bestaat een kleine kans dat er
bij deze tweede typering alsnog een verschil blijkt te bestaan waardoor
een broer of zus niet geschikt is als stamceldonor. Als er meerdere
passende donoren zijn, wordt een keuze gemaakt op basis van de
tests, geslacht, leeftijd en gezondheidstoestand van de donoren.
De potentiële donor zal, na het bekend worden van de typering, als
eerste worden benaderd. Als hij/zij instemt met de donatie, zal hij/
zij worden opgeroepen voor een medische keuring. Om te testen of
de donor gezond is, zal hij/zij lichamelijk onderzocht worden en zal
er bloedonderzoek verricht worden op onder meer overdraagbare
ziekten zoals hepatitis, cytomegalovirus (CMV) en aids (HIV-virus).
E

Terug naar boven